Veerkracht: de mens blijft vaker overeind dan de zelfhulpindustrie doet vermoeden

Veerkracht is geen zeldzame heldeneigenschap maar een alledaags proces - en juist die nuchtere waarheid wordt in wellness- en werkcontext vaak overschreeuwd.

Inhoudsopgave

Een begrip met een geschiedenis van verrassing

Psychologische veerkracht

Psychologische veerkracht is een begrip dat steeds meer aandacht krijgt binnen de klinische praktijk. Het woord veerkracht (in de internationale literatuur: resilience) komt oorspronkelijk uit de materiaalkunde, waar het de eigenschap van een stof beschrijft om na vervorming terug te keren naar de oorspronkelijke vorm.

In de psychologie kreeg het pas vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw voet aan de grond, en niet toevallig: onderzoekers die kinderen bestudeerden die opgroeiden in extreme armoede, met verslaafde of psychisch zieke ouders, of te midden van oorlog, verwachtten stelselmatig ontregeling te vinden.

Ze vonden die ontregeling ook, maar niet bij iedereen.

Een deel van de kinderen ontwikkelde zich, tegen alle verwachting in, tot stabiele, functionerende volwassenen.

Psychiater Norman Garmezy noemde deze kinderen aanvankelijk “invulnerable” (onkwetsbaar), een term die hij later zelf verwierp omdat hij te absoluut was: niemand is werkelijk onkwetsbaar, maar sommige mensen beschikken over meer bronnen om schokken op te vangen.

Deze vroege bevindingen culmineerden in een van de invloedrijkste ontwikkelingsstudies ooit uitgevoerd: de Kauai-studie van ontwikkelingspsycholoog Emmy Werner.

Vanaf 1955 volgde Werner, samen met collega Ruth Smith, alle 698 kinderen die dat jaar geboren werden op het Hawaïaanse eiland Kauai, tot in hun veertigste levensjaar.

Tweehonderdeen van deze kinderen groeiden op in wat de onderzoekers “hoogrisico”-omstandigheden noemden: perinatale stress, chronische armoede, gebroken gezinnen, ouderlijk alcoholisme of psychiatrische problematiek.

De uitkomst verraste de onderzoeksgemeenschap.

Ongeveer een derde van deze hoogrisicokinderen groeide uit tot competente, sociaal goed functionerende volwassenen zonder ernstige leer- of gedragsproblemen.

Werner identificeerde bij deze kinderen terugkerende beschermende kenmerken: een actief temperament, sociale aanpasbaarheid, goede probleemoplossende vaardigheden, en, misschien wel het belangrijkste, minstens één stabiele, ondersteunende volwassene buiten het eigen gezin, vaak een grootouder, buurvrouw of leerkracht.

De Kauai-studie markeerde een omslagpunt: veerkracht werd niet langer gezien als een zeldzame, aangeboren eigenschap van “wondertjes”, maar als een uitkomst van een samenspel tussen individu en omgeving, iets wat, tot op zekere hoogte, te versterken valt.

Michael Rutter voegde daar in de decennia erna een belangrijke theoretische nuance aan toe: veerkracht is geen vaste eigenschap die iemand overal en altijd bezit, maar een relatief, contextafhankelijk fenomeen.

Iemand kan veerkrachtig zijn ten aanzien van het verlies van een baan, en tegelijk kwetsbaar voor het verlies van een partner.

Die relativering is tot op de dag van vandaag onderbelicht in de populaire beeldvorming, waarin veerkracht al snel wordt voorgesteld als een soort innerlijke veer die je hebt of niet hebt.

Bonanno's ontregeling van het rouw- en traumamodel

Geen naam is zo verbonden met de moderne herwaardering van veerkracht als die van George Bonanno, klinisch psycholoog aan Teachers College, Columbia University.

Waar de klassieke rouw- en traumaliteratuur decennialang uitging van gefaseerde modellen, ontkenning, boosheid, onderhandelen, depressie, acceptatie, en van de aanname dat ernstig verlies of trauma vrijwel onvermijdelijk tot langdurige psychische ontregeling leidt, liet Bonanno’s empirische onderzoek een ander beeld zien.

In zijn veelgeciteerde overzichtsartikel “Loss, Trauma, and Human Resilience” (2004, American Psychologist) brengt Bonanno grootschalige longitudinale data samen over rouw en traumablootstelling.

De cijfers zijn opmerkelijk: van mensen die een dierbare verliezen, vertoont ongeveer de helft slechts minimale of geen verhoogde depressieve klachten.

Van de Amerikanen die in hun leven een potentieel traumatische gebeurtenis meemaken, en dat is de meerderheid, zo’n vijftig tot zestig procent, ontwikkelt slechts vijf tot tien procent uiteindelijk een posttraumatische stressstoornis.

Na de rellen in Los Angeles in 1992 rapporteerde 78,2 procent van de blootgestelde bevolking drie of minder PTSS-symptomen; van de slachtoffers van ernstige verkeersongevallen voldeed 79 procent nooit aan de diagnostische criteria voor PTSS.

Bonanno’s kernpunt is conceptueel scherp: hij onderscheidt herstel (recovery), waarbij iemand maandenlang of jarenlang verhoogde klachten ervaart voordat een terugkeer naar het oude functioneren plaatsvindt, van veerkracht (resilience) in engere zin, waarbij iemand na een aanvankelijke, vaak kortdurende verstoring een relatief stabiel functioneringsniveau behoudt.

In zijn data blijkt deze laatste, veerkrachtige trajectlijn niet de uitzondering te zijn, zoals decennia van klinische theorievorming veronderstelde, maar veruit het meest voorkomende patroon na verlies en trauma.

Dat is een fundamentele herschikking van wat “normaal” heet na ingrijpende gebeurtenissen.

Dat wil niet zeggen dat trauma er niet toe doet, of dat lijden wordt gebagatelliseerd.

Bonanno benadrukt juist dat er geen uniforme route naar veerkracht bestaat: bij de ene persoon werkt actieve, expressieve verwerking, bij de andere juist een zekere mate van vermijding of “repressieve coping”, een bevinding die ingaat tegen de klinische intuïtie dat gevoelens altijd “verwerkt” moeten worden om erger te voorkomen.

Interessant, en klinisch relevant, is ook zijn waarschuwing dat breed ingezette interventies, zoals verplichte debriefing-sessies direct na een schokkende gebeurtenis voor iedereen, ongeacht individuele behoefte, de natuurlijke, zelfregulerende veerkrachtprocessen van mensen kunnen doorkruisen en in sommige onderzoeken zelfs averechts werken.

Hulpverlening die veronderstelt dat iedereen professionele verwerking nodig heeft, onderschat hoezeer veerkracht een normaal, robuust menselijk vermogen is.

Een overzichtsstudie naar psychologische veerkracht laat zien dat dit patroon, en niet chronische klachten, de meest voorkomende reactie is op ingrijpende levensgebeurtenissen.

Het samenspel van beschermende en risicofactoren

Als veerkracht geen vaste eigenschap is maar een proces, wat bepaalt dan de uitkomst ervan?

Onderzoek, waaronder dat van het Nederlandse Trimbos-instituut, dat veerkracht definieert als “het proces waarbij iemand zich positief aanpast aan stress of tegenslag die hem of haar uit balans dreigt te brengen, door persoonlijke en omgevingshulpbronnen effectief in te zetten”, wijst op een samenspel van individuele en contextuele factoren.

Aan de individuele kant gaat het om zaken als temperament (een actief, sociaal aanpasbaar temperament blijkt beschermend, zoals ook Werner al vond), probleemoplossend vermogen, emotieregulatie, een realistisch maar hoopvol zelfbeeld, en, een factor die in klinisch werk vaak onderbelicht blijft, betekenisgeving.

Het vermogen om een moeilijke ervaring in een groter narratief te plaatsen, er op de een of andere manier zin aan te ontlenen zonder de pijn ervan te ontkennen, wordt in vrijwel alle grote veerkrachtmodellen genoemd als een kernvaardigheid.

Trimbos clustert deze individuele hulpbronnen in drie groepen: regulerende vaardigheden, betekenisgevende vaardigheden en interpersoonlijke competentie.

Maar de omgevingsfactoren wegen minstens zo zwaar, en worden in de populaire framing van veerkracht als “innerlijke kracht” stelselmatig onderschat.

De American Psychological Association noemt het hebben van zorgzame, ondersteunende relaties, binnen en buiten het gezin, als de belangrijkste enkelvoudige factor voor veerkracht: dergelijke relaties bieden vertrouwen, rolmodellen en aanmoediging.

Ook in de Kauai-studie was de aanwezigheid van minstens één stabiele volwassene de meest voorspellende omgevingsfactor.

Trimbos voegt daaraan toe: sociale cohesie in de buurt, betekenisvolle bezigheden (werk, sport, geloofsgemeenschap, contact met natuur) en toegang tot hulpbronnen.

Cruciaal, en vaak vergeten in individueel gerichte trainingsprogramma’s, is dat risicofactoren zich zelden geïsoleerd voordoen.

Chronische stressoren, armoede, discriminatie, onveilige woonomgevingen, aanhoudende ziekte, putten hulpbronnen niet één keer uit, maar voortdurend, en vaak sneller dan ze aangevuld kunnen worden.

Trimbos wijst er expliciet op dat wanneer meerdere tegenslagen zich opstapelen of snel na elkaar volgen, herstel meer tijd en meer, vaak juist ontbrekende, hulpbronnen vergt.

Mensen in structureel kwetsbare posities hebben dus niet alleen vaker te maken met tegenslag, ze hebben ook systematisch minder toegang tot de hulpbronnen die veerkracht mogelijk maken.

Dat maakt veerkracht uiteindelijk net zo goed een verdelingsvraagstuk als een psychologisch vraagstuk.

Het samenspel van beschermende en risicofactoren bepaalt in grote mate hoeveel psychologische veerkracht iemand op een bepaald moment in het leven kan opbrengen.

Deze bevindingen dragen bij aan een genuanceerder beeld van psychologische veerkracht dan het beeld dat de zelfhulpindustrie vaak schetst.

Posttraumatische groei: een hoopvol concept met scherpe kanttekeningen

Nauw verwant aan veerkracht, maar er conceptueel van te onderscheiden, is het begrip posttraumatische groei, geïntroduceerd door psychologen Richard Tedeschi en Lawrence Calhoun in de jaren negentig.

Waar veerkracht in de kern gaat over het behouden of herstellen van functioneren, beschrijft posttraumatische groei iets verdergaands: de ervaring dat een ingrijpende gebeurtenis, ondanks, of gedeeltelijk dankzij, het lijden dat zij veroorzaakte, uiteindelijk leidt tot een positieve psychologische verandering die het oorspronkelijke niveau van functioneren overstijgt.

Denk aan een dieper waardegevoel voor het leven, hechtere relaties, een groter gevoel van persoonlijke kracht, nieuwe mogelijkheden of spirituele verdieping.

Het concept spreekt tot de verbeelding en is dan ook gretig overgenomen in populaire zelfhulpliteratuur en, verontrustender, in delen van de coaching- en wellness-industrie, waar tegenslag soms bijna wordt geromantiseerd als noodzakelijke aanjager van persoonlijke ontwikkeling (“wat je niet doodt, maakt je sterker”).

Recent kritisch onderzoek zet daar terecht vraagtekens bij.

Een veelbesproken kritische review in het tijdschrift Clinical Psychology Review (2023) onderscheidt nadrukkelijk illusoire van daadwerkelijke posttraumatische groei: veel van wat mensen zelf rapporteren als groei, gemeten via retrospectieve vragenlijsten waarin mensen wordt gevraagd hoezeer ze zijn “gegroeid” sinds de gebeurtenis, blijkt bij nadere, longitudinale meting (dus vergelijking van functioneren vóór en ná, in plaats van een retrospectieve herinnering) vaak niet overeen te komen met daadwerkelijk gemeten verbeteringen in welzijn.

Mensen hebben de neiging om, als coping-mechanisme, een groei-narratief te construeren dat hen helpt de ervaring te verdragen, zonder dat dit narratief samenvalt met meetbare, blijvende psychologische verandering.

Genuine, meetbare groei blijkt dan ook aanzienlijk zeldzamer te zijn dan de gerapporteerde groei doet vermoeden.

Dat betekent niet dat posttraumatische groei een fictie is, voor een deel van de mensen die ernstige tegenslag doormaken, is de ervaring van verdieping en herwaardering wel degelijk reëel en klinisch relevant.

Maar het betekent wel dat therapeuten en hulpverleners voorzichtig moeten zijn met het suggereren, laat staan het verwachten, dat tegenslag “moet” leiden tot groei.

Een dergelijke verwachting kan onbedoeld een nieuwe bron van druk en zelfs schuldgevoel worden: mensen die na verlies of trauma vooral pijn voelen, en geen enkele vorm van groei, lopen het risico zich tekort te voelen schieten ten opzichte van een cultureel geïdealiseerd groeiverhaal.

Net als bij veerkracht geldt: niet elke uitkomst na tegenslag is, en hoeft, een verhaal van transformatie te zijn.

Soms is overeind blijven, zonder groei, zonder les, zonder happy end, de meest realistische en respectabele uitkomst.

Posttraumatische groei laat een ander gezicht van psychologische veerkracht zien: niet alleen herstel, maar soms ook betekenisvolle verandering na een ingrijpende gebeurtenis.

Wanneer veerkracht een verwijt wordt: de politiek van het begrip

De grootste weeffout in het hedendaagse veerkrachtdiscours zit niet in de wetenschap zelf, maar in hoe het begrip is gekaapt buiten de wetenschap, met name in organisatie- en werkcontext.

Waar onderzoekers als Rutter, Werner en Bonanno veerkracht juist nadrukkelijk als contextueel en relationeel beschrijven, versimpelt de populaire wellness- en hr-industrie het tot een individuele, trainbare eigenschap die losstaat van de omstandigheden waarin iemand zich bevindt.

“Veerkrachttrainingen”, mindfulness-workshops en online modules beloven werknemers weerbaarder te maken tegen stress, terwijl de onderliggende organisatiestructuur, chronische overbelasting, gebrek aan zeggenschap, onveilige arbeidsverhoudingen, buiten schot blijft.

Deze framing heeft een verraderlijk keerzijde: wie na dergelijke training toch overspannen raakt of uitvalt, kan het gevoel krijgen persoonlijk te hebben gefaald, onvoldoende veerkrachtig te zijn geweest, in plaats van te erkennen dat de belasting simpelweg structureel te hoog was.

Arbeidspsychologisch onderzoek naar werkstress, onder meer gebaseerd op het klassieke model van Robert Karasek (de verhouding tussen taakeisen en regelruimte), laat zien dat burn-out zelden voortkomt uit individuele zwakte, maar vaak juist bij de meest betrokken, competente werknemers ontstaat: mensen die vage verantwoordelijkheden op zich nemen, organisatorische stress absorberen uit loyaliteit, en te lang “sterk” blijven functioneren zonder dat de onderliggende taakbelasting wordt aangepakt.

Zoals het in kritische vakliteratuur wordt samengevat: burn-out ontstaat zelden door zwakte, maar door te lang sterk moeten zijn in een systeem dat daarvan profiteert.

Dit is precies het punt waarop een kritische, psychosociale blik op veerkracht zich onderscheidt van de populaire zelfhulpversie.

Veerkracht bevorderen zonder de context, de organisatie, het gezin, de buurt, de sociaaleconomische positie, aan te pakken, is symptoombestrijding die de verantwoordelijkheid eenzijdig bij het individu legt.

Het is veelzeggend dat zowel Trimbos als de internationale wetenschappelijke literatuur veerkracht consequent omschrijven als de resultante van individu én omgeving samen, niet als een louter innerlijke competentie.

Een psychosociaal-therapeutische praktijk die dit onderscheid serieus neemt, kijkt dan ook nooit uitsluitend naar wat een cliënt aan coping-vaardigheden mist, maar evenzeer naar welke sociale steun, welke stabiele relaties en welke structurele belasting rondom die cliënt aanwezig zijn, en behandelt het versterken van dat sociale weefsel als een net zo legitieme interventie als het trainen van individuele vaardigheden.

In de Nederlandse psychosociale en complementaire hulpverlening vertaalt zich dit inzicht steeds vaker in een bredere, systemische aanpak: naast individuele begeleiding gericht op zelfregie, betekenisgeving en emotieregulatie, wordt uitdrukkelijk aandacht besteed aan het netwerk van de cliënt, familie, herstelacademies, zelfregiecentra en lotgenotencontact, precies omdat onderzoek keer op keer laat zien dat geïsoleerde individuele training zonder relationele en structurele inbedding zijn effect goeddeels verliest. Veerkracht is, met andere woorden, nooit alleen een kwestie van mentale spierkracht; het is evenzeer een kwestie van de stevigheid van het net eronder.

Bronnen

  • Bonanno, G.A. (2004). Loss, Trauma, and Human Resilience: Have We Underestimated the Human Capacity to Thrive After Extremely Aversive Events? American Psychologist, 59(1), 20–28.
  • Association for Psychological Science, interview met George Bonanno: Remarkable Resiliency: George Bonanno on PTSD, Grief, and Depression.
  • Werner, E.E. & Smith, R.S., Kauai Longitudinal Study, samengevat in: Risk, Resilience, and Recovery: Findings from the Kauai Longitudinal Study. Pathways to Positive Futures / Portland State University.
  • Wikipedia, achtergrondprofiel: Emmy Werner.
  • Trimbos-instituut, Expertisecentrum Mentale Gezondheid: Wat betekent veerkracht?
  • Trimbos-instituut: Hulpbronnen van veerkracht.
  • American Psychological Association: The Road to Resilience.
  • American Psychological Association: Resilience.
  • Kritische review over posttraumatische groei: Illusory posttraumatic growth is common, but genuine posttraumatic growth is rare: A critical review and suggestions for a path forward. Clinical Psychology Review (2023).
  • Wikipedia, achtergrondprofiel: Norman Garmezy (grondlegger van vroeg resilience-onderzoek bij kinderen).
  • ManagementSite: Waarom burn-out geen individueel probleem is en wat we collectief blijven missen, over de structurele (Karasek-)kritiek op individualisering van werkstress.
  • Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), Whitepaper: Burn-out: Meer dan een individueel probleem (2024).
  • ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, algemene informatievoorziening over trauma en herstel.

Meer lezen over deze onderwerpen? Bekijk de thema-pagina psychosociale therapie voor een breder overzicht.

Psychologische veerkracht is geen vaste eigenschap, maar een dynamisch proces dat per situatie kan verschillen.

Wanneer psychologische veerkracht als verwijt wordt gebruikt, ontstaat het risico dat mensen zich schuldig voelen over normale, langzame herstelprocessen.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

27 augustus, 2026

Thema

Psychosociale Therapie

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen